Articles

Ode aan Aphrodite

Aphrodite, het onderwerp van Sappho’s gedicht. Dit marmeren beeld is een Romeinse kopie van Praxiteles’ Aphrodite van Knidos.

Het gedicht is geschreven in Aeolisch Grieks en gezet in Sapphische strofen, een naar Sappho genoemde maatsoort waarin drie identieke langere regels worden gevolgd door een vierde, kortere. In Hellenistische edities van Sappho’s werken was het het eerste gedicht van Boek I van haar poëzie. Aangezien het gedicht begint met het woord “Ποικιλόθρον'”, valt dit buiten de volgorde die in de rest van Boek I wordt aangehouden, waar de gedichten alfabetisch op beginletter zijn geordend. Met zeven strofen is het gedicht het langst overgebleven fragment uit Boek I van Sappho.

De ode is geschreven in de vorm van een gebed tot Aphrodite, godin van de liefde, van een spreker die verlangt naar de attenties van een niet nader genoemde vrouw. De structuur volgt de driedelige structuur van oude Griekse hymnen, beginnend met een aanroeping, gevolgd door een verhalend gedeelte, en uitmondend in een verzoek aan de god. De spreekster wordt in het gedicht aangeduid als Sappho, in een van de slechts vier overgeleverde werken waarin Sappho zichzelf bij naam noemt. Het geslacht van Sappho’s geliefde wordt vastgesteld aan de hand van slechts één woord, het vrouwelijke εθελοισα in regel 24. Deze lezing, nu standaard, werd voor het eerst voorgesteld in 1835 door Theodor Bergk, maar pas in de jaren 1960 volledig aanvaard. Nog in 1955 merkten Edgar Lobel en Denys Page in hun editie van Sappho op dat de auteurs deze lezing accepteerden “zonder er het minste vertrouwen in te hebben”.

Sappho vraagt de godin de pijn van haar onbeantwoorde liefde voor deze vrouw te verzachten; nadat zij aldus is aangeroepen, verschijnt Aphrodite aan Sappho en vertelt haar dat de vrouw die haar avances heeft afgewezen haar mettertijd op haar beurt zal achtervolgen. Het gedicht eindigt met een andere oproep aan de godin om de spreekster bij te staan in al haar amoureuze worstelingen. Met zijn verwijzing naar een vrouwelijke geliefde is de “Ode aan Aphrodite” (samen met Sappho 31) een van de weinige overgebleven werken van Sappho waaruit blijkt dat zij ook van andere vrouwen hield. Het gedicht bevat weinig aanwijzingen over de uitvoeringscontext, hoewel Stefano Caciagli suggereert dat het geschreven kan zijn voor een publiek van Sappho’s vrouwelijke vrienden.

De Ode aan Aphrodite is sterk beïnvloed door het Homerische epos. Ruby Blondell stelt dat het hele gedicht een parodie en herbewerking is van de scène in boek vijf van de Ilias tussen Aphrodite, Athena, en Diomedes. Sappho’s Homerische invloed is vooral duidelijk in de derde strofe van het gedicht, waar Aphrodite’s afdaling naar de sterfelijke wereld wordt gemarkeerd door “een virtuele invasie van Homerische woorden en zinnen”.

Classicisten zijn het er niet over eens of het gedicht bedoeld was als een serieus stuk. C. M. Bowra, die pleit voor een serieuze interpretatie van het gedicht, suggereert bijvoorbeeld dat het een echte religieuze ervaring bespreekt. A.P. Burnett daarentegen ziet het stuk als “helemaal geen gebed”, maar als een luchtig stuk dat is bedoeld om te amuseren. Sommige elementen van het gedicht die anders moeilijk te verklaren zijn, kunnen als humoristisch worden uitgelegd. Zo roept Sappho aan het begin van de derde strofe van het gedicht Aphrodite op in een wagen “die met lieflijke mussen is bespannen”, een zinsnede die volgens Harold Zellner het gemakkelijkst te verklaren is als een vorm van humoristische woordspeling. De toespraak van Aphrodite in de vierde en vijfde strofe van het gedicht is ook als luchthartig geïnterpreteerd. Keith Stanley stelt dat in deze regels Aphrodite Sappho “humoristisch berispt”, met de drievoudige herhaling van δηυτε gevolgd door de hyperbolische en licht spottende τίς σ’, ὦ Ψάπφ’, ἀδικήει;